Oradour-sur-Glane

‘Opdat wij nooit zullen vergeten.. ‘

Op die bewuste zondagmorgen, de dertigste augustus 1998, verlieten we het knusse hotel in Aumône met een zekere verwachting. Het was zeker geen opgewekt gevoel, dat ons deed besluiten tot een afwijking van de bekende route. Neen, vandaag moest het gebeuren, het lang uitgestelde bezoek aan Oradour-sur-Glane. Al te vaak passeerden we in Limoges het richtingbordje, dat verwees naar dat bijzondere monument uit de Tweede Wereldoorlog.
Spoedig kwam de afslag, la Crouzille, van de A20 in het zicht. Twintig kilometer lang kronkelde de A5 hierna door een dicht bos naar het plaatsje Nantiat. Toen nog acht km over de D711 naar het gehuchtje Cieux. En daar wees een bordje recht naar het zuiden, naar le village Martir: Oradour-sur-Glane.
Langzaam reden we een kennelijk nieuw gebouwd stadje binnen. Waren we hier wel op de juiste plaats?

HET DORP VAN DE MARTELAREN

Ineens verscheen er recht voor ons een poort in beeld, dat moest de ingang zijn van het historische Oradour. Schuin aan de overkant bevond zich een ruim parkeerterrein. Daar stonden tien of twaalf auto’s en een kampeerwagen. Wij zetten de Berlingo naast een lelijk eendje, de twee citroëns stonden broederlijk in de schaduw van een esdoorn. Toen liepen we op de poort af. Op een bord naast de ingang werd gevraagd om eerbied en ingetogenheid bij de betreding van deze zwaar getroffen plek.
Achter de poort vertoonde zich een zonovergoten straatweg.

Maar er was iets aan de hand met het straatbeeld. Een grote stilte had beklemmend bezit genomen van dit voormalige doorsnee Franse dorp. Pijnlijk ontbraken hier kinderstemmen en er was een totaal gemis aan levendigheid.
Zeker, er liepen enkele mensen op de ouderwets geplaveide hoofdstraat.
Maar er werd niet gesproken en de gezichten stonden ernstig. Soms bleef iemand staan voor een huis dat bij nader toezien geen huis meer bleek te zijn..
Niet zelden sloeg iemand een kruis en prevelde met gesloten ogen een gebed.

Met pijn in het hart keken we naar de gerafelde gevels, aan weerzij van de klinkerweg. Achter die gevels heerste de chaos, het toonbeeld van een volledige verwoesting. Nergens vertoonden zich deuren of ramen, de naakte openingen in de geblakerde muren boden onbelemmerd zicht in de zwartgebrande rechthoeken die eens geliefde onderkomens voor de bewoners vormden. De verwoesting was compleet; het stadje was slechts een slordig stenen skelet, álle daken waren verdwenen.

Ondanks de opgewekte zonneschijn die haar best deed een sfeer van verwachting te creëren, overviel ons een grote schroom bij het langzaam voortgaan in Oradour-sur-Glane.
Regelmatig bleven we zelf ook staan voor een halve of hele voorgevel. We verzonken in gedachten bij de aanblik van enige voorwerpen die niet compleet door het vuur waren vernietigd: een simpele naaimachine in een nis, kromgetrokken ijzeren keukengerei.
Hoe kon dit allemaal gebeuren?
Tussen de vier muren van de garagehouder die het dorp rijk was, lagen de uitgebrande en verroeste wrakken van de dorpsnotabelen. Op een huiveringwekkende manier leek het net of de ramp die het plaatsje had getroffen, zich een week geleden had afgespeeld.
We kwamen op een soort plein, de grond was bedekt met eenvoudig steengruis, waarop lang geleden de bewoners hun jeu de boule speelden.
Staande naast de waterput in het midden, kon je langzaam om je as draaiend alle ruïnes waarnemen. Een licht hellend straatje met de verkoolde bovenleiding van het trammetje boven onze hoofden, bracht ons voor de resten van de kerk. We stapten beschroomd naar binnen. Ik wist dat zich hier een bovenmenselijk drama had afgespeeld, maar kende daar weinig details van.
Terwijl we met eerbied de kale ruimte op ons in lieten werken, in het gezelschap van een tiental andere mensen, kwam een hele groep bezoekers naar binnen. Er was een gids bij die op de verhoging stapte en een boeiend en tegelijk intriest verhaal begon te vertellen. We stonden daar zeker twintig minuten in een allengs voller wordende ruimte.

En nu kwam ik volledig op de hoogte van de verschrikkelijke geschiedenisfeiten.
Velen keken met ons regelmatig omhoog naar de blauwe lucht om de gruwelen die daar door de gids op ingehouden toon aan het licht werden gebracht, een beetje kwijt te raken. De uitgebrande kerk zonder dak herinnerde ons lijfelijk aan de verschrikkingen, die zich hier op het plaveisel waarop onze voeten rustten, hadden afgespeeld.

10 JUNI 1944

Wat was hier gebeurd op die rampzalige dag, de tiende juni van het jaar 1944?
Het was toen evenals vandaag, 54 jaar later, een stralende zomerdag, in het charmante stadje. Het plaatsje was geliefd bij de inwoners van de dichtbij gelegen grote stad Limoges. Men kwam er graag om te genieten van het rustige landschap.
En om een glaasje te drinken in één van de gemoedelijke cafés. Of om een hengeltje uit te werpen in het liefelijke riviertje de Glane. Het plaatsje was makkelijk te bereiken want tot vreugde van de bewoners schommelde enkele keren per dag een trammetje tussen Limoges en Oradour-sur-Glane.
De oorlog was aan de bewoners van Oradour voorbijgegaan. In feite was er nog nooit een Duitser in de dorpsstraat gezien.

Het was nu middag, de kinderen zaten nèt in de schoolbanken, en de straatjes waren leeg. Plotseling verstoorde motorgeronk omstreeks twee uur in de middag de lome rust.
Iemand keek uit het raam en zag een motorfiets gevolgd door een blauwe wolk passeren.
‘Héé, een Duitser!’
Die onverwachte passant werd spoedig gevolgd door anderen, gezeten in de laadbak van een vrachtwagen. Er dook een pantserwagen op bij de toegangsbrug over de Glane..
Tenslotte was de dorpsstraat gevuld met tien vrachtwagens vol met Duitsers.

De bewoners kwamen naar buiten en keken verwonderd toe. ‘Les boches’ – wij zouden gezegd hebben: de moffen -, waren gekleed in oorlogstenue. Men maakte zich niet ongerust, waarom zouden ze? In Oradour had niemand de Duitsers een strobreed in de weg gelegd. Dit waren SS-ers.. misschien dat men hen in Oradour niet eens als zodanig herkende..
Eigenlijk dacht niemand aan vluchten, op enkelen na..

Na korte tijd weerklonk ineens de trom van de dorpsomroeper. Men werd opgeroepen zich te verzamelen op het gemeenschapsterrein vlak bij de kerk. In een heel rustig tempo gaf de bevolking gehoor, wat wilden die Allemands van hen, er ging een gerucht dat het ging om controle van de identiteitskaarten..
Maar die kalme gang van de dorpelingen beviel ‘les boches’ niet. Overal klonken snauwerige commando’s : ‘Schnell, schnell!’
Ook alle schoolkinderen moesten hun banken verlaten en naar het ‘champs de foire’ komen. Het onderwijzend personeel drong aan op een snelle aftocht:
‘Opschieten, vlug buiten opstellen, we mogen de Duitsers niet laten wachten!’
In plaats van een rustige controle van de identiteitskaarten volgde op het plein een ruwe sortering van de mensen. Met Pruisische bruutheid duwde men vrouwen en kinderen op een hoop.
De mannen werden een eindje verder samengedrongen.

De ongerustheid groeide sterk, vrees vervulde de harten, wat ging er gebeuren?
De vrouwen werden iets rustiger toen de snauwende soldaten hen in de richting van de wijd geopende kerkdeuren voerden. Moesten zij met hun kinderen de kerk in? Daar moesten zij wel veilig zijn; de kerk is immers het huis van vrede en van God?
Commando’s klonken luid: men wilde gijzelaars.
Alle huizen zouden worden doorzocht. Dokter Paul Dèsourteaux bood zich aan, met zijn vier zonen. Een uur verstreek. Voortdurend werden orders en tegenorders geschreeuwd. In de omgeving van Oradour ging het leven onwetend door.. Nietsvermoedend kwam een vrolijk groepje fietsers over de brug het plaatsje binnen, vijf jongens en een meisje. Zij werden onmiddellijk gegrepen en zouden het lot moeten delen van de inwoners. Niemand mocht de kans krijgen de omgeving te alarmeren.
Toen verdeelden de SS-ers de angstig wachtende mannen in groepen.

‘Zij moesten meekomen naar verschillende plaatsen in het dorp. Drie groepen moesten naar een zolder klimmen, twee groepen werden een garage ingeduwd, één groep verdween in een kelder en een aantal werd in een schuur gepropt. Om vier uur klonk een explosie!
En dit was het sein voor een schandelijke moordpartij. Op alle verzamelplaatsen tegelijk, openden de beestachtige SS’ers het mitrailleurvuur op de benen van de weerloze mannen. Gillend van pijn en angst vielen ze over elkaar heen terwijl hun beulen bleven schieten net zo lang totdat er ogenschijnlijk niemand meer bewoog. Toen klommen zij zonder mededogen op de berg bloedende mensen en schoten degene door het hoofd waar nog beweging viel te constateren. Vervolgens smeten zij onbewogen bossen stro en stukken hout op de lijken en staken dat in brand. Ongetwijfeld zullen er gewonde mensen levend zijn verbrand.

In de kerk hoorden de opgesloten vrouwen en kinderen de helse mitrailleurs knetteren. Het is vrijwel zeker dat zij verscheurd werden door de gedachte: onze mannen worden nu vermoord!
Ze konden niet weten dat hun dode en gewonde echtgenoten ook nog aan de vlammen werden prijsgegeven..
Hoe wonderlijk het ook mag klinken, het lukte enkele mannen uit deze vreselijke hel te ontsnappen. Mathieu, Clément, Marcel en Yvon lieten zich vallen bij het eerste salvo en hielden zich dood. Op het moment dat het vuur begerig om zich heen vrat wisten zij zich onder de bloedende lichamen uit te wringen en zich in doodsnood in een hoek van de zolder of garage vrij van het vuur te verbergen. En toen de laffe moordenaars zich verwijderen omdat ze meenden dat de slachtpartij volledig was, slaagden zij er in het dorp te ontvluchten.

DE SLACHTING IN DE KERK

Intussen heerste bij de weggevoerden in de kerk een martelende onzekerheid en bij de meesten grote angst om wat er mogelijk buiten gebeurde. De moeders troostten de huilende kinderen en probeerden paniek te voorkomen. Tenslotte ging de kerkdeur open, gelukkig, er gloorde iets van hoop!
Konden zij in vrijheid naar hun huizen terugkeren? De kinderen droogden hun tranen, mochten zij weer buiten spelen? Maar de twee Duitsers die zich naar binnen drongen sloten meteen de deur achter zich. Met norse gezichten, ruw de vrouwen en kinderen opzij duwend, droegen zij een grote kist naar de communietafel voor in de kerk.
Uit de kist hingen enkele koorden. Terwijl de ene Duitser de mensen dreigend op een afstand hield, stak de andere de koorden aan met een lucifer. Zodra ze gloeiden holden ze haastig naar de kerkdeur, die ze openden en meteen achter zich dichttrokken. Voor de verbijsterde vrouwen viel de deur naar de vrijheid aldus onmiddellijk weer in het slot.
Enkele seconden later ontplofte de kist, vlak bij het heilige altaar..
Een verstikkende rook verspreidde zich. Paniek brak uit.
‘We gaan sterven, we worden vergiftigd en verbrand!’ gilden de vrouwen elkaar toe. De kinderen klemden zich schreeuwend en hoestend aan de moeders vast. In die helse bittere rook waarin het ademhalen een marteling was voor de longen, probeerde iedereen een uitweg te zoeken.
Ze klauwden aan de muren, meenden redding te vinden door de deur naar de sacristie.
Onder de druk van wanhopig naar lucht snakkende mensen bezweek de deur.
Maar de smerige beulen hadden niets over het hoofd gezien. Door de ramen in de achterwand van de sacristie staken de lopen van de mitrailleurs, het vuur werd meteen geopend! Het werd een afgrijselijk slachting, moeders en kinderen vielen als een bloedende kluwen over elkaar. Nergens was een uitweg, het was onmogelijk uit dit inferno te ontsnappen.

In dit onbeschrijfelijke tafereel, van vijfhonderd stervende en gewonde moeders en kinderen, kroop één vastbesloten vrouw naar het altaar. Het was madame Rouffranche met 46 levensjaren, die een laddertje had opgemerkt in de hoek bij het altaar.
Een ladder die de koster altijd gebruikte om de kaarsen aan te steken. En in de muur áchter het heiligdom stond een raam open! Met de moed der wanhoop worstelde zij zich door het boog-venster, dronk gretig de frisse lucht in en maakte de sprong van drie meter hoogte. Zij krabbelde overeind, wilde wègrennen van die plek van het verderf.

Maar een angstige kreet boven het hoofd kluisterde haar vast. Een jonge moeder was dezelfde weg gegaan, een baby in haar gestrekte armen. ‘Red m’n kind!’ snikte zij en gooide de baby uit het venster. Madame Rouffranche miste het kostbare pakket..
Toen sprong de moeder naast het bloedende kind. Zij deed een greep en er restte maar één ding, vluchten!
De twee vrouwen ijlden naar de tuin van de pastorie, hopend op beschutting en redding.
Te laat! Zij waren opgemerkt door hun laffe beulen. Meteen floten de kogels in hun richting. De jonge moeder werd dodelijk getroffen, het kind viel uit haar handen en zij stierven samen op het grasveld achter de kerk.

Madame Rouffranche was ook ernstig gewond maar met de laatste krachten kroop zij naar een rijtje planten. Krimpend van pijn, overdekt met bloed, lag zij uren en uren in halfbewusteloze toestand onder de jonge bladeren van de erwtenstruiken.

Het drama in de kerk naderde zijn einde. De Duitsers gooiden de kerkdeur open en vuurden in het wilde weg hun mitrailleurs leeg. Volkomen bezeten wilden zij alle bewijzen van hun wandaad vernietigen. Zij sleepten banken en stoelen aan, gooiden ze op de verminkte lichamen van hun slachtoffers en wierpen het vuur in deze monsterlijke brandstapel. En het duurde niet lang of in de heldere zomerlucht verhief zich een enorme geelwitte rookkolom boven het openbarstende dak, van wat eens een lieflijk bedehuis vormde. In de kerk van Oradour-sur-Glane heerste een knetterende vlammenzee die een nooit meer goed te maken schanddaad moest uitwissen.

Tegen zeven uur in de avond naderde het trammetje vanuit Limoges. Nog vóór de brug werden de schommelende wagens tegengehouden door de SS’ers. Uitstappen! De passagiers werden gescheiden. Inwoners van Limoges moesten weer instappen, de bestuurder kreeg opdracht onmiddellijk terug te keren naar Limoges.
Maar de twintig geschrokken dorpelingen van Oradour werden in een rij geplaatst voor een muur. Zij keken recht in de loop van een mitrailleur..! Drie uur lang staarden zij in doodsangst naar het moordwapen. Terwijl om hen heen de verdorven SS’ers zich vrolijk maakten; dronken van bloed en drank! Na drie martelende uren herkregen de geestelijk gemangelde inwoners ineens de vrijheid. Ze konden het nauwelijks geloven, voorbereid als zij zich hadden op de dood. Maar wat was er met hun dorp aan de hand? In de beginnende nacht lekten overal vlammen boven de huizen achter hen? Ze werden weggejaagd en zochten met een zeer beklemmend gemoed een toevlucht in de omringende gehuchten. Hoe stond het met hun geliefden in Oradour?

Gedurende de nacht gaven de SS’ers zich over aan een grove braspartij. De hele avond hadden zij besteed met het in brand steken van de huizen. Maar alvorens zij overgingen tot de vernietiging speurden ze naar drank. En dat was er genoeg, vele huizen bezaten een goede wijnkelder.
‘s Morgens verlieten zij het totaal verwoeste en uitgemoorde plaatsje. Toen de laatste lallende misdadigers de brug over de Glane passeerden, was er eindelijk rust voor de arme slachtoffers onder het smeulende puin van de huizen en de kerk. Alleen.. voor deze 642 martelaren betekende het een eeuwige rust..

Wie kan de wanhoop en het verdriet beschrijven van de weinige overlevenden, toen het in de loop van de dag mogelijk was terug te keren naar wat eens hun woonplaats was?

Aan het einde van dit verslag over bittere ellende en dood is er plaats voor het verhaal van de moed van een kleine jongen die door een gezonde achterdocht de dans ont-sprong. Roger Godfrin was één van de 246 schoolkinderen die zich netjes in de rij, begeleid door de leraren, naar het Champ de Foire moest begeven. Maar Roger, het jochie van acht jaar oud, verkeerde in Oradour als oorlogsvluchteling uit Oost- Frankrijk. Hij wist uit ervaring dat ‘les boches’ niet te vertrouwen waren. Daarom verstopte hij zich in de tuin van de school. Roger was getuige van de orgie van moord en brandstichting, desondanks wist hij het hoofd koel te houden. En toen de beulen eindelijk wegtrokken kon ie de plaats van de ramp ontvluchten. Samen met een aantal ontsnapte mannen werd hij enkele dagen later op de foto gezet, als enig overlevende van zijn schoolmakkertjes.

WAT WAS DE AANLEIDING TOT DE SCHANDDAAD?

Er wás helemaal geen reden tot de vernietiging van Oradour-sur-Glane!
Oh.. er zijn allerlei voorwendsels genoemd maar geen daarvan bleek steekhoudend.
Men heeft zelfs van Duitse zijde aangevoerd dat men zich in de plaatsnaam had vergist; de ‘straf’ moest worden voltrokken aan Oradour-sur-Vayres, in plaats van Oradour-sur-Glane.

Charles de Gaule gaf op 4 maart 1945 het bevel dat Oradour als herinnering moest worden geconserveerd als een symbool voor het ongeluk dat de natie had getroffen. Dit zou nooit meer mogen gebeuren!

TEN SLOTTE GERECHTIGHEID?

Is er uiteindelijk gerechtigheid geschied aan de misdadigers die hiermee hun geweten hebben belast?
Na negen lange jaren begon op 12 januari 1953 het proces in Bordeaux. Het werd een zeer moeizame rechtsgang. Uiterst teleurstellend voor de nabestaanden. Er waren totaal 65 schuldigen te achterhalen. Slechts 21 aangeklaagden verschenen voor het tribunaal. Zeven Duitsers, waarvan één met de rang van adjudant. En veertien Franse Elzassers, één met de rang van sergeant. Allemaal SS’ers! De commandant van de groep sneuvelde in Normandië. Zijn ondergeschikte, de kapitein Kähn, dook onder in Zweden.
De eigenlijke bevelhebber van de SS in Frankrijk, ene generaal Lammerdink, nam zijn beroep weer op in Düsseldorf. Hij was indertijd onaantastbaar vanwege zijn verblijf in de Britse zone. Hij had zelfs de onbeschaamdheid in een brief aan het tribunaal, zijn mannen onschuldig te verklaren: ‘Zij hebben slechts hun orders gehoorzaam opgevolgd..’

Na een maand traineren voor de rechtbank volgde de uitspraak.
De adjudant werd veroordeeld tot de doodstraf, evenals de sergeant. De soldaten kregen straffen opgelegd tussen de vijf en twaalf jaar.
Bepaalde acties in de Alsace, (De Elzas, die na 1945 bij Frankrijk werd gevoegd) hadden tot gevolg dat de 13 Elzassers ‘uit naam van de Franse eenheid’ enkele weken later vrij op straat stonden.

En al heel snel zwaaiden de gevangenisdeuren eveneens open voor de vijf Duitsers. Als reactie hierop werd er in Parijs op het departement een pakketje ontvangen.
Daarin bevonden zich het: Croix de la Legion d’Honneur en het Croix de Guerre, teruggezonden door de verbitterde overgeblevenen van Oradeur-sur-Glane.

Bijna veertig jaar later spoorde men eindelijk luitenant Barth op, een hoofdverdachte. Hij woonde rustig onder zijn eigen naam in zijn geboortedorp in – toen nog – Oost-Duitsland. Op 25 mei 1983 opende men tijdens de ‘koude oorlog’ het proces in Oost-Berlijn. Vijf overlevenden uit Oradour-sur-Glane zaten in de getuigenbank.
Barth wist zich alles te herinneren. Desgevraagd deelde hij mede dat men géén wapens had ontdekt in de doorzochte huizen. En ook geen mannen van de ondergrondse had aangetroffen. Maar ja.., commandant Dickmann had opdracht gegeven tot de vernietiging van dorp en bewoners. Daar kon hij zich niet tegen verzetten. Neen, hij had geen enkele spijt, hij had slechts te gehoorzamen aan zijn chef. In oorlogstijd gebeurden nu eenmaal dit soort dingen, nietwaar?
De uitspraak luidde: opsluiting voor het leven.

Cornelis Gorlee

Helaas hebben wij via de media moeten vernemen dat op 22 augustus het herdenkingscentrum in Oradour-sur-Glane beklad is met graffiti. Op de gevel is het woord ‘martelaar’ doorgestreept en vervangen door ‘leugenaar’. Ook is er een naam van een Holocaustontkenner naast gespoten.
De teksten werden ‘s ochtends ontdekt toen het centrum openging.

“Niets kan de herinnering aan onze 642 slachtoffers van Oradour-sur-Glane uitwissen”, zei president Emmanuel Macron in een reactie op Twitter. Ook heeft hij beloofd er alles aan te zullen doen om de dader te pakken. Er is een officieel onderzoek gestart.

Print Friendly, PDF & Email