sarlat, parel aan de dordogne

De vrijdagmorgen van de dertigste april 1999 was zeer veelbelovend.
Prachtige nevelflarden vulden de vallei, en daarboven uit baadden de heuveltoppen zich in uitermate vrolijkmakend zonlicht.
Allerlei tinten groen van bomen en struiken streden om de eer het mooist voor de dag te komen. In zo’n sfeertje is de ziel licht en vrolijk, we vertrokken dan ook omstreeks negen uur met hooggestemde verwachtingen richting Sarlat.

Iets voorbij Siorac leek het wel of la Terre toverkunsten verrichtte: de rode aarde dampte in lange slierten het vocht uit haar binnenste.
Château Beynac was een droom, de oude burcht leek te drijven op kolkende nevels.
Af en toe doken enkele daken van de lager gelegen huisjes, op uit de fantoomachtig witte damp.
Maar het merendeel van de tijd was de trotse bourg met haar kathedraal het enige object dat werd omspoeld door zonlicht.
Het kon niet anders, we moesten even stoppen op de parkeerplaats boven de hoge kademuur langs de Dordogne. Merkwaardig, de rivier leek in een tunnel te stromen.
Het licht glinsterde begeesterd op de belletjes van het snelvlietende water.
Vanuit de bocht kwam warempel al een platbodem met vroege dagjesmensen aanvaren, duwend tegen de stroom, met zijn dubbele aanhangmotoren.
Het zonlicht kreeg het nu extra druk met dansen en springen op het verbroken wateroppervlak, door de venijnig voortploegende boot.
Wat een schoonheid en een weldaad voor de ontvankelijke ziel!

Na een afdaling van de heuvels achter Vezac, lag Sarlat in een prachtig zomersfeertje in de diepte. De eerste toeristen slenterden door de Middeleeuwse binnenstad.
Wij hadden een boodschappenlijstje in de hand.
Als eerste betraden we de ruim gesorteerde quincallerie van du groupe Dumaxel.
En tien minuten later verlieten we tevreden de zaak met de juiste hoekstukjes en bevestigingsbouten voor de eikehouten dragers van het afdak.

Nu richtten onze voeten zich naar de Franse versie van de telefoonwinkel.
In het ruim opgezette magasin van France Telecom bevonden zich drie medewerkers en naar schatting vijf klanten. Wij liepen langzaam naar achteren, waar een balie: ‘service na de verkoop’ was neergezet. Het leek een soort bar zonder drank.
Gelukkig stonden er enkele krukken voor de denkbeeldige tap.
– Ga maar zitten Hinke’, sprak ik, ‘dit kan wel even duren’.
Tot die conclusie kwam ik omdat ‘service na verkoop’ helaas niet was bemand.
Dat was vorige week wèl het geval, toen ik hier met de defecte telefoon van zus Annèt verscheen.

De jongedame die toentertijd kwiek de klachten afhandelde bleek verstand te hebben van de techniek.
Op haar advies kocht ik geen nieuwe accu voor de zich-als-dood voordoende telefoon, maar kwam ik nu terug met het gedemonteerde apparaat voor een simpele test.
– Kijk es’, sprak zij toen, ‘dan leggen we hier terplekke het ding even aan een nieuwe accu, doet ie het dan, okay, dan kunt u zonder bezwaar uw 110 franc neerleggen.
Is het níet goed.., dan is het zonde van de gestorte francs..’

Nu dat vond ik een heel redelijk aanbod, per slot van rekening had ik geen absolute zekerheid dat de accu de bron van alle moeilijkheden was. Het enige dat ik kon constateren was het feit dat de accu 2,7 i.p.v. 3,6 volt leverde.

Maar hoe kwamen wij hier ooit aan de beurt voor een preuve met ons onwillige communicatie- device?
Eén Telecommer, een dame met grijzend haar, was intensief verdiept in een onduidelijke opgave; zij raadpleegde beurtelings een terminal die tegen de zijwand was opgesteld, en een bundel papieren in de rechterhand.
Te oordelen naar de peinzende manier waarop zij de studie uitvoerde leek deze medewerkster niet aan klantenservice toe te komen.
Vooral omdat zij in het komende kwartier enkele keren door een deur in de achterwand verdween, en met nieuwe papieren onder de arm geklemd, recht vooruitziende, zonder een enkele blik opzij, terminal-waarts snelde.

Twee Telecommers onderhielden zich volstrekt ambtelijk ieder met een klant.

Ook al zóu dat binnen tien minuten zijn afgehandeld, dan hadden we nog ‘twee wachtenden voor ons’.
Dat betekende dus dat we ons aan waarnemingen moesten overgeven, met een speculatie over het moment wie van de twee het eerst een klant tevreden stelde.
Het zag er niet goed uit. We concentreerden ons op de helpster met een rood pagekopje die een cliënte trachtte in te wijden in de geheimen van een.. -ja natuurlijk!- een zaktelefoontje. Het ding was zo klein dat je em haast met een pincet moest vasthouden.
De vele knopjes waren dus navenant in grootte. En de cliënte, een dame die zeker zestig seizoenen had zien wisselen, had uit een handtasje een forse leesbril opgediept, luisterde en tuurde door de grote glazen, het donkere krullenhoofd over de tafel gebogen, naar de demo die volgens schema verliep.
Er werden vele vragen gesteld, berekeningen gemaakt, boeken opengeslagen, en zelfs telefonisch ruggespraak om aanvullende informatie ontbrak niet.

Zuchtend moesten we vaststellen dat we onze hoop moesten stellen op de andere medewerker. Deze employé, een grote plompe man, genesteld voor een computer-scherm.

Vanwege de uitstulpende buik moesten de armen gestrekt naar het toetsenbord.
Wij hadden vanaf onze kruk het volle zicht op een display van zeker 19 inch.
En op dat scherm vertoonde Windows een caleidoscoop aan mooi opgemaakte menu’s en overzichten.
Wat deed de man in vredesnaam? Ontegenzeggelijk was hij bezig met dienstverlening aan een klant. Tegenover hem aan het bureau zat een man met opengeslagen portefeuille waar enkele nota’s (?) aan waren ontfutseld.
Klopte er iets niet met een betaling, stonden er op duistere wijze, achter zijn rug om, verdacht gekozen 06-nummers op een afrekening?

Verbijsterd moesten we de volle twintig minuten toezien hoe de pafferige Telecommer een eindeloze reeks schermen opriep en liet verdwijnen.
Was dat nu de zegen van het computertijdperk? Als je vroeger een inlichting vroeg dan sloeg men één of twee boeken open, men schreef iets op een papiertje, et voila, je stond weer buiten!
De drie ronddrentelende klanten die niet het voorrecht genoten een stoel of kruk te kunnen bezetten, hielden het voor gezien en stapten de straat weer op.

Eindelijk doofde het scherm, de portefeuilledrager begaf zich met een zorgelijk gezicht naar de uitgang, en de vrijgekomen medewerker hees het dikke achterwerk uit de bureaustoel.
Eigenlijk had de man liever andere service verleend, dat merkten we aan de wat afhoudende manier waarop hij vroeg waarmee hij ons van dienst kon zijn.
Ik draaide mijn verhaaltje af. Licht hoofdschuddend liep hij op een kantelende wijze naar achteren en keerde terug met een plastic etuitje waarin de kleine accu was verpakt.
– Hij is niet geladen monsieur’ annonceerde hij op gelaten toon.
– Oh.. en hoeveel tijd kost dat, kan ik in die tijd nog wat boodschappen gaan doen?
– Mais non, de charge kost vierentwintig uur..
Hè.. op een vlotte afwerking viel dus niet te rekenen.
– Kan ik alles hier laten monsieur, dan komen we op een andere dag terug?
– Morgen zijn we dicht, dan vieren we le premier Mai.
– Dan kom ik volgende week terug’ besliste ik.

Zuchtend stapten we naar buiten, we hadden ruim vijfentwintig minuten op de kruk gezeten. Gelukkig was het oponthoud spoedig vergeten want Sarlat vertoonde zich op zijn best in de stralende zon. De kathedraal leek nog niet zo mooi te zijn uitgekomen tegen het volmaakte hemelsblauw.

Cornelis Gorlee

Print Friendly, PDF & Email